Verwoest

Matthias Haeck

Bij het zetten van de eerste voet

tasten we nog met rubberen zolen,

zoeken we in het monochrome puin

naar focus op het gebombardeerd tapijt.

We dwalen door het weggemaaide land,

bukken ons maar rapen niets.

Peilen ondiep, de grond is verstijfd.

Op de duur vallen we uiteen

zoals beton het voordeed, eerst aarzelend, dan plots

alleen.

We torsen het gewicht van onze wimpers,

veinzen blindheid tegen het knerpen van de grijze sneeuw,

doen ons doof voor

tegen het kalme huilen van de honden.

Het kloppen in de borstkas,

het stompen op de slapen,

ze knijpen de middag fijn.

Het brandende stof grijpt de hoofdrol,

de zon danst al lang niet meer.

Een gedicht is een huis.
Men moet erin kunnen wonen.
En om gerieflijk te zijn moet het
een kelder, een zolder
en vele diepe kasten
voor onze herinneringen hebben.

Jan Greshoff

Vind ons op