Eddy Vaernewyck

zorgeloze zomers waren het. achter de hoeve lag onze uitkijk 

op de wereld. wij waanden ons onsterfelijk en goddelijk tegelijk. 

in onze hoofden lag elk ver goudland aan onze kindervoeten.

Winnetou of William Cody waren wij, al naargelang de boeken 

die wij lazen. urenlang lagen wij in hinderlaag. prikten 

gewetenloos vlinders op bordpapier en vergaarden dromen 

die nu enkel nog dromen zijn. tot die laatste argeloze zomer. 

onomkeerbaar sloeg het noodlot toe. in onze kelen groeide 

onverbiddelijk een baard. vlinders werden meisjes en de bries 

die in hun zomerjurken speelde, wakkerde de aasgier in ons aan. 

helaas zijn ook die jaren zoek geraakt in een lang verloren paradijs.

want wie van ons verzon niet ooit de mooiste verzen 

in het zand maar zag ze met de tijd door wind en water 

weg geveegd naar een onvindbaar niemandsland?

Een gedicht is een huis.
Men moet erin kunnen wonen.
En om gerieflijk te zijn moet het
een kelder, een zolder
en vele diepe kasten
voor onze herinneringen hebben.

Jan Greshoff

Vind ons op